Op het gevaar af dat U na het lezen van dit weblog ernstig gaat twijfelen aan mijn realiteitszin vertel ik U vanavond toch maar het derde merkwaardige verhaal rond de vliegramp op Tenerife. Gisteren schreef ik hier al dat wij in dat toestel hadden moeten zitten. En een paar dagen eerder schreef ik hier over de begrafenis van mijn beste vriend en zijn vriendin, die op Tenerife om het leven kwamen. Vanavond vertel ik U hoe zij die gebeurtenis aan mij hebben gemeld, zonder dat ik dat in de gaten had.
Rond de tijd dat de crash op Tenerife gebeurde zat ik in de flat, waar wij toen woonden, te tekenen. Dat deed ik wel vaker in die tijd. Er was nog geen computer in ons huis, en dus tekende ik met Rotring-pennen, met zwarte indische inkt. Het was al heel laat toen ik aan een merkwaardige tekening begon. Ik tekende een poort aan het eind van een gitzwarte tunnel, met twee figuurtjes die tegen het licht in de tunnel uit liepen. Ze wierpen lange schaduwen de gang in. Het tekenaarspsespectief was dat van de waarnemer die een eind terug in de donkere gang staat, en in de verte twee figuurtjes hand in hand de tunnel uit ziet lopen. De schaduwen komen bijna tot aan de voeten van de waarnemer. Terwijl ik dat tekende dacht ik er absoluut niet over na waarom ik dit tekende. Terwijl het toch een tekenonderwerp was, dat ik normaal gesproken nooit zou kiezen. Nadat ik tevreden was over de tekening borg ik de tekenspullen op, en deed de tekening in een oude zwarte kartonnen doos waarin ik veel meer van mijn tekenwerk bewaarde. Met een tevreden gevoel over de mooie tekening, die ik had gemaakt, ging ik slapen.
Na slechts een paar uurtjes slaap ging ik weer naar de krant. Ik werkte daar toen op de redactie binnen/buitenland, en had die ochtend telexdienst. Die ratelbakken had je nog in die tijd: we tikten onze nieuwsverhalen nog op een typemasjien. Al snel kwam natuurlijk het nieuws van de vliegramp van de telex rollen. Ik handelde zoals elke journalist bij zulk een grote gebeurtenis zou doen en ging met de rest van de bibu-redactie aan de slag om dit nieuws zo goed mogelijk in de krant te krijgen.
Pas kort voordat de eerste editie zou verschijnen kwamen de namenlijsten met slachtoffers vrij, en rolden de lijsten van de telex. Wij natuurlijk direct kijken of er nog slachtoffers uit de regio tussen zaten, want ik werkte bij een regionaal dagblad. En dan is dat natuurlijk extra belangrijk. Toen ik de lijst doorliep zag ik de namen van Joop en zijn vriendin, en dus drong pas op dat moment tot mij door wat er gebeurd was. U begrijpt: vanaf dat moment was ik zo ongeveer ondergedompeld in een doof waas en kon mijn werk amper nog doen. Pas na tien minuten of zo drong alles in volle omvang tot me door en kwam de reactie naar buiten. Mijn collega’s merkten toen pas welk vreselijk nieuws ik van de telex had geplukt. Kort daarop kreeg ik ook nog eens Joop’s moeder aan de telefoon die maar niet kon geloven dat haar zoon in dat toestel had gezeten. Ik kon niet anders dan het haar bevestigen: ik had immers de officiele telex voor mijn neus. Toen gingen bij mij de lampjes uit.
Wat er de dagen daarna gebeurde weet U al voor een deel, tot en met de drie merkwaardige gebeurtenissen tijdens de begrafenis. Dat ik ook in dat toestel had moeten zitten drong pas veel later tot me door (ik vertelde dat hier al). En aan de tekening, die ik enkele uren voor dat moment had gemaakt, dacht ik evenmin. Een verband tussen de tekening en de ramp lag niet binnen mijn gezichtveld. Ik kon uberhaupt niet meer helder denken, dat is begrijpelijk.
Pas weken later, toen ik voor het eerst na deze gebeurtenis weer een tekening wilde maken, deed ik de zwarte kartonnen doos open en zag de bewuste tekening boven op het stapeltje liggen. En pas toen bracht ik die tekening in verband met de ramp: ik had -zonder het te beseffen- Joop en zijn vriendin getekend die naar het licht lopen. Het licht waarvan mensen, die een bijna-dood-ervaring hebben gehad, vaak spreken. Nu ben ik zo nuchter als een kip, overtuigd atheist, en met vehaaltjes over mensen die naar Het Licht lopen moest je niet bij mij aankomen. Maar dit was toch even andere koek: de klap van het besef was gigantisch.
Toen de echo van die klap was weggestorven, en ik me realiseerde dat ik hier toch wel iets heel bijzonders bij de hand had, heb ik de tekening weer voorzichtig in de doos teruggelegd en de deksel er weer op gedaan. De doos heb ik daarna lange tijd niet meer open gemaakt. Wel maanden lang. Pas na die lange tijd heb ik de doos weer geopend, omdat ik de tekening nog een keertje wilde bekijken. Ik wilde er nog eens heel goed over nadenken. En nu gaat U twijfelen aan mijn realiteitszin: de tekening was verdwenen. Gewoon domweg weg. Terwijl ik voor duizend procent zeker weet dat ik het vel papier heb teruggelegd.
Je zou nog kunnen bedenken dat iemand anders de tekening uit de doos heeft gehaald, maar dat kon niet, want de doos stond op een plaats die aan niemand anders bekend was, en waar ook niemand bij kon. Alle andere tekeningen en de Rotring-pennen zaten er nog in, maar die ene tekening was foetsie. Weg. Pleite. In het niets verdwenen. Ik heb daarop werkelijk het complete huis op z’n kop gezet op zoek naar die tekening. Geen gaatje of kiertje in mijn huis ontkwam aan die grondige inspectie. Maar: ik heb de tekening nooit meer gezien. De inkttekening staat in mijn kop gegrift, maar toch jammer dat-ie weg is.
Tot op de dag van vandaag verbaas ik me over die tekening. De vreemde onderwerpkeuze, de klap van het besef, de verdwijning. Zouden Joop en zijn vriendin me op die manier hebben willen duidelijk maken dat er iets vreselijks was gebeurd? En toen uiteindelijk de boodschap was overgekomen, was het papier niet meer nodig en daarom verdwenen? Ik weet het niet, en zal het waarschijnlijk nooit weten.