Truusje

In ons regionale dagblad loopt momenteel een serie over “mijn autoliefde”. Jan en Alleman schrijft daar over het autootje, waarmee ze vroeger de grootste lol of liefde hebben beleefd. Nou, zo eentje heb ik ook. Of eigenlijk zijn het er twee. De fijnste wagen die ik ooit had was een Alfa Romeo Alfetta Lusso, eerder deze week al tentoongesteld in de fotocollage “herinneringen”. De tweede was de grappigste auto die we ooit hebben gehad: een Fiat 500. Op zich allemaal niet zo schokkend, ware het niet dat ik 2.05 meter lang ben en dus enige proportionele dispositie heb ten opzichte van dit autootje. Onze versie had geen open dak, en dus zat ik met het hoofd permanent gebogen om door het piepkleine voorruitje te kunnen kijken. Het autootje reed als een trein, maakte herrie voor tien, veerde voor geen meter, en had geen linker voorstoel. Ik zat namelijk op de iets naar voren gebrachte achterbank, zodat ik in elk geval wel mijn benen kwijt kon. En dat zat eigenlijk best wel comfortabel.
Erg lang hebben we niet van die autootje kunnen genieten. De technische staat was nog slechter dan het comfort. De ruitenwissers deden het bijvoorbeeld al lang niet meer, waarvoor ik een handbediening in de plaats had geknutseld. Niet echt handig, maar we zagen tenminste nog wel waar we reden bij regenachtig weer. Toen dan ook bij het opschakelen van de eerste naar de tweede versnelling de complete versnellingspook uit de bodem van de auto omhoog kwam hebben we besloten het apparaatje af te voeren naar de sloper. Want er was nog wel wat meer aan de hand met dit vehikel. De bodem lag er toen al grotendeels onderuit (bij regen dus natte voeten), en van de rode lak was ook weinig meer te zien. De koplampjes hingen met ijzerdraadjes in het chassis, en de zwengel van de portierruitjes waren al lang geleden verdwenen. Het motortje had zeer lang geleden zijn laatste onderhoudsbeurt gehad en rookte vervaarlijk. Van olie verversen hadden we nog nooit gehoord: met techniek ben ik niet zo standvastig als zou moeten. En de bandjes waren zo mogelijk nog gladder dan de ijsbaan in Heerenveen.
We hebben op waardige wijze afscheid genomen: we hebben er met een glas wijn in de hand op staan dansen voor de deur om er zeker van te zijn dat niemand -maar dan ook echt niemand- in ons geliefd autootje de sloop nog zou verlaten. Gebutst en gedeukt werd de Fiat 500 door een kraanwagen afgevoerd. We hebben nog net niet een traantje gepinkt, en hebben ons mobiele leven vervolgd in heel wat luxere auto’s waar ik tenminste een beetje normaal in kon zitten en waarin de techniek wel deed wat het moest doen. Wel beschouwd was deze Fiat 500 natuurlijk helemaal nix, maar wel een erg lief autootje. Dat troetelgevoel heb ik met geen enkele latere auto meer gehad.
Oh ja, ze had ook een naam: Truusje.


