Herontmoeting
Ze sjokt nog steeds door ons dorp. Ik had haar sinds juni vorig jaar niet meer gesproken of gezien. Afgelopen zaterdag kwam ik haar ineens tegen in de supermarkt, waar ze een armetierig plastic tasje met wat lullige boodschapjes net had afgerekend aan de kassa. “He hallo”, zei ze. “Hoe is het met jou?” “Goed hoor”, zei ik. “En jij?” “Oh, gaat wel hoor, ik ben er nog”, zei ze. “En waar is de hond?” “Die mag hier niet binnen, dus heb ik haar maar thuis gelaten”. “Oh ja, dat mag niet he? Er mag verdomme zo veel niet. Waarom mag die hond hier niet binnen? Wat een stom gelul”, zei ze met enige gespeelde stemverheffing, terwijl ze met een scheve blik naar de filiaalchef keek die haar nauwlettend in de gaten hield. Een zwerver in de zaak is alarmfase 1 voor de chef.
Ze gaf me een knipoog. “Die lamlul snapt er toch niks van. Veel te druk met z’n potjes en schappen. Wij wel he? Wij snappen het wel. Want wij kennen de hond”. “Ja hoor”, zei ik, “Wij wel want wij houden van honden”. “Precies”, zei ze, knikte instemmend, stak haar tong uit naar de filiaalchef, draaide zich om, en liep de supermarkt uit. De filiaalchef slaakte een zucht van verlichting, de kassa’s rinkelden weer, en ik rekende af. Toen ik buiten kwam was ze al in geen velden of wegen meer te bekennen. Tot volgend jaar maar weer, dacht ik.


