Een stil gesprek met Yvonne Habets
Ik zeg het maar meteen: Yvonne Habets, eind vorige week veel te jong overleden aan de gevolgen van kanker, heb ik nooit in levende lijve ontmoet. De kans daarop was sowieso erg klein, want ze was altijd onderweg naar gebieden waar het rommelde. Om televisie te maken. En toch had ik een stil gesprek met haar. Vannacht. In een droom. Hoe dat komt, geen flauw idee. Ik ken Habets alleen van de TV. Van haar soms zeer indringende en vaak gedurfde nieuws- en achtergrondreportages. Ik keek er altijd met een bepaalde bewondering naar, en hoopte dat ik ergens -zeker in het begin van mijn journalistieke bestaan- de kans zou krijgen een soortgelijk niveau neer te zetten. Habets was een van mijn voorbeelden in hoe je journalistiek moet bedrijven. Met de poten in de klei. Al was datgene, wat ik ooit zou neerzetten, maar een kwart van wat Habets presteerde, daar zou ik al tevreden mee zijn.
Het is er nooit echt van gekomen. Geen unieke binnenkijk in een bezette ambassade, geen onverwachte ontmoeting met guerilla’s ergens in een drijfnat oerwoud. Wel een paar andere nieuwswaardige onthullingen, rellen en interviews waar ik u hier verder niet mee zal vermoeien omdat ik er niet mee te koop wil lopen.
Vannacht ontmoette ik haar. In een steriel ingericht wit kamertje, met even steriel jaren ’70-meubilair. Yvonne zit op een halfhoge kitscherige houten barkruk. Ik zit op een formica stoeltje achter een formica tafeltje. U kent ze wel: opstaande zwarte plastig rand, waar altijd na verloop van tijd stukjes vanaf braken, en die na een jaar of wat per definitie loslieten. Waarna het armetierig geperste spaanplaat, waaruit het tafelblad grotendeels bestond, genadeloos tevoorschijn rafelde. En natuurlijk dat foeilelijke willekeurig patroon van witte en lichtgrijze vlekjes in het tafelblad.
Op het tafeltje ligt een stapel oude papieren en bruine dossiermappen, duidelijk aangetast door lange bewaartijden in een archief. De randen verpulverd. Een muffe lucht. Yvonne, gehuld in een modieus geel truitje, kijkt me strak aan. Ze zegt niets, maar wijst voortdurend indringend op de stapel. Ik moet er iets mee, maar heb geen idee wat. Dat probeer ik haar duidelijk te maken en hef mijn handen gespreid in een “ik begrijp je niet”-gebaar. Yvonne duidt andermaal op de stapel, nu heftig wijzend. Ik pak een deel van de stapel op en blader er doorheen. Het zijn oude officiele stukken, getikt met een oude typemachine. De regels lopen niet mooi recht, maar dansen enigszins per letter. Er zitten ook handgeschreven documenten bij, met namen en handtekeningen onderaan.
Geen idee waar deze stukken over gaan. Ik zie tekst maar kan het niet lezen. De letters wijken weg zodra ik erop focus. Ik kijk weer naar Yvonne. Ze zegt nog steeds niets, wijst voor de derde maal naar de stapel, staat dan op, en verdwijnt door een deur naast haar die ik niet eerder had opgemerkt. Ik kijk andermaal in de stapel, en dan gaat de wekker. Weg droom.
Elk mens heeft zo van die dromen die helder blijven hangen. Naar de betekenis ervan kun je alleen maar gissen. Heeft Habets nou echt contact met me proberen te zoeken? Misschien om een klus af te maken, waar zij helaas niet meer aan toe is gekomen? Ik zou niet weten waarom ze daarvoor bij mij zou moeten aankloppen. Ik mag journalistiek gezien dan wel wat aardige dingen hebben gepresteerd, maar kan nog voor geen honderd meter in haar schaduw staan. Dus waarom zou ze mij erbij slepen?
Geen idee nu, en waarschijnlijk nooit. Totdat ik misschien ooit tegen zo’n mysterieuze stapel oude dossiers en papieren aanloop. Op dat moment zal ik haar danken voor de hint, en net zo lang door die stapel graven totdat ik doorheb waarom die stapel op mijn weg is beland. Die belofte maak ik hier plechtig. Dat ben ik aan dit merkwaardige stille gesprek en het fantastische werk, dat Yvonne Habets tijdens haar dubbele leven heeft neergezet, verschuldigd.
January 24, 2007
|
Posted by PB
Categories:


