Gisteren had ik een interessante maildiscussie met een collega. Over schrijven voor het web.
Hij stelt dat alles kort moet. Geen lange zinnen. Korte tekst welke snel te scannen is. Want de lezer van vandaag heeft geen tijd. Hij of zij leest niet, maar scant.
Er moet ook veel wit in. Te veel tekst op elkaar is een brei. De weblezer leest snel. Focust snel op tekst. Heeft geen zin om lang te lezen.
Tussenkoppen.
En er moeten veel tussenkoppen in. Na elke twee of drie alinea’s. Opdat het scanproces snel verloopt. En de lezer in één oogslag ziet waar het over gaat.
Ingewikkelde zinnen moet je niet doen. Dat staat de weblezer tegen. Dan leest hij je weblog niet meer.
Hij zal wel gelijk hebben, die collega. Hij baseert zich op wetenschappelijke onderzoeken. Wat vinden jullie?
Sorry, there are no polls available at the moment.
Niks.
Mijn mening? Ik vind het niks. Taalverarming. Het joyeuze van de taal wordt hiermee radicaal de nek omgedraaid. Wat we nog aan taalcultuur over hebben wordt sowieso al vermoord door het toenemende gebruik van twitter- en sms-taal. Zelfs in officiele correspondentie kom ik al dat soort verkort woordgebruik tegen. Het “Tnx” en “ff” is niet van de lucht. Ik mag dan welicht van de ouderwetsche stempel zijn, ik vind dat dus gewoon niet kunnen.
Nu ben ik opgegroeid in de jounalistieke school der jaren ’70 in de vorige eeuw. Die school leerde me dat een nieuwsverhaal niet alleen nieuws moet bevatten, maar ook qua taalgebruik lekker in elkaar moet steken. Mijn toenmalige hoofdredacteur noemde dat “de tekst moet geur en kleur hebben”. Er moet opbouw in een verhaal zitten, het moet boeien, van begin tot eind. Dat doe je met verhaallijnen, zo leerde hij mij destijds. Hij zei ook altijd: “Journalistiek is geen literatuur, maar schurkt er wel zo dicht mogelijk tegenaan”. Een latere coach hanteerde de stelregel: “Een tekst moet bekken, maar niet té”.
Met die stelregels in gedachten heb ik mijn teksten jarenlang geproduceerd. Opzetten, fijnslijpen, redigeren, boetseren, nalezen. En pas publiceren nadat voor mijn gevoel alle woorden op een goeie plek stonden. Met die attitude heb ik me tijdens mijn jaren op de eindredactie van een regionale krant bepaald niet geliefd gemaakt bij de dames en heren journalisten, wier stukken ik moest afhandelen. Soms had ik er ook succes mee: dan kreeg ik een compliment omdat het verhaal na mijn rode pen acties “er beter op was geworden”.
Mijn discussie-collega legde me in een mailtje uit welke elementen in een webtekst van belang zijn. Niet de tekst, of de opbouw van een verhaal, maar koppen, tussenkoppen, opsommingen met bullets, cijfers, links. Dat zijn de ankerpunten, die de moderne weblezer wil zien. Een weblezer leest niet rustig van begin tot eind, maar scant het beeldscherm op zoek naar informatie die hij/zij wil zien.
Nah… zo doende verwordt elke tekst naar mijn idee tot een mini PowerPoint-presentatie. Een stukje statistische informatie, waarin creatief taalgebruik ver te zoeken is. En dat vind ik ontzettend jammer. Want taal is een prachtig instrument. Het zal wel aan mij liggen: als 50+’er ben ik denk ik nog steeds lekker creatief bezig met teksten, fotografie en vooral muziek. Ik zal waarschijnlijk niet op alle fronten meer voldoen aan de wetmatigheden van de moderne digitale mens. Hoewel ik het helemaal begrijp, en een groot voorstander ben van nieuwe ontwikkelingen, zal ik altijd wel een beetje blijven hangen. Omdat ik ermee ben opgegroeid en er zekere waarden aan toe ken.
Voor wie het interesseert: deze meneer Jakob Nielsen schijnt een guru te zijn als het gaat over internetlezen en schrijven voor het web. Het is de leerschool waar mijn discussie-collega zijn stellingen op baseert. Die voor hem -zo liet hij gisteren weten- ook als een eye-opener fungeerden overigens. Op Nielsens pagina staat te lezen hoe hij er tegenaan kijkt. Interessant leesmateriaal. En zoals bij elke guru is ook hij regelmatig het mikpunt van humor of zelfs spot. Zo schreef US Press News ooit dat Nielsen de letter C had afgeschaft.
Gisteravond heb ik wat van zijn materiaal doorgenomen. En ik moet zeggen: hij heeft zeker wel een punt, kijkend naar hoe de moderne mens internet-info tot zich neemt. Het is inderdaad allemaal sneller, anders dan op papier. Dat wist ik natuurlijk allang, maar me er volledig aan overgeven… nee. Het is m.i. te mager, te leeg, te weinig vorm. Wanneer ik Twitter doe ik het wel, omdat het bij dat medium past. Daar ga ik me heerlijk te buiten aan OMG, WTF en ff. En je hebt maar 140 lettertjes (oh nee, dat heten tegenwoordig characters) tot je beschikking, dus je moet wel.
In mijn weblog blijf ik taalkwalitatief hangen, vrees ik. Ik blijf het jammer vinden dat taal wordt gedegradeerd tot een scanobject, waar je zo snel mogelijk weer aan voorbij moet zijn. Dat zal mijn 50+-status dan wel met zich meebrengen…. Op Twitter zou dat ongetwijfeld de afkorting OL (Ouwe Lul) opleveren.
(Met dank aan collega Roy W. voor de info en de link).